Standaard DNA-afname bij verdachten in strijd met de mensenrechten

Standaard DNA-afname bij verdachten in strijd met de mensenrechten

Geplaatst op

Als het aan de SGP ligt, moeten verdachten bij hun inverzekeringstelling direct DNA afstaan.[1] De SGP, inmiddels gesteund door de meerderheid van de Tweede Kamer, wil op deze manier voorkomen dat (bij verstek) veroordeelden de verplichte DNA-afgifte ontlopen. Daarnaast hoopt men dat met het standaard afnemen van DNA meer misdrijven zullen worden opgelost.

DNA-profielen van vrijgesprokenen dienen uiteindelijk weer te worden vernietigd. De SGP wil dat de minister dit zo snel mogelijk opneemt in een wetsvoorstel. Het standaard afnemen van DNA bij verdachten is wat ons betreft in strijd met de mensenrechten.     

Huidige wetgeving omtrent DNA-afname bij veroordeelden

Op grond van artikel 2 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, kan de officier van justitie bevelen dat van een veroordeelde wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67 lid 1 Sr, celmateriaal wordt afgenomen ten behoeve van het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel. Het moet hier dus gaan om een reeds veroordeelde.

De officier van justitie laat het bevel tot afname van het DNA achterwege indien van de desbetreffende veroordeelde reeds een DNA-profiel is verwerkt of redelijkerwijs aannemelijk is dat de afname van het DNA niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Hierbij spelen de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is begaan, een rol.

Ingevolge artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, kan de veroordeelde binnen veertien dagen na de dag waarop het celmateriaal is afgenomen, een bezwaarschrift indienen. Dit kan bij de rechtbank die in eerste aanleg het vonnis heeft gewezen of bij de rechtbank die bevoegd zou zijn het verzet tegen de strafbeschikking in behandeling te nemen. 

Schending van mensenrechten

Door het standaard afnemen van DNA bij een verdachte worden mensenrechten geschonden. Naast een schending van het recht op privacy in de zin van artikel 8 EVRM, levert het standaard afnemen van DNA van een verdachte een schending op van het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM.

Op grond van artikel 6 lid 2 EVRM geldt als uitgangspunt dat een ieder voor onschuldig moet worden gehouden tot zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Dit wordt ook wel de “onschuldpresumptie” genoemd. Het dwingen van een verdachte om bij zijn aanhouding DNA af te staan, omdat bij de officier van justitie de verdenking is gerezen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, vormt een vergaande inbreuk op dit uitgangspunt. De verdachte is immers nog niet veroordeeld en zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit is nog niet door een onafhankelijke rechter vastgesteld. Door op grond van een verdenking van het Openbaar Ministerie “alvast” DNA af te nemen van een verdachte, wordt vooruitgelopen op de uitspraak van de onafhankelijke rechter.

Bovendien levert het standaard afnemen van DNA van een verdachte een schending op van het nemo tenetur-beginsel, dat blijkens rechtspraak van het EHRM ligt besloten in artikel 6 EVRM. Het nemo tenetur-beginsel houdt in dat van een verdachte niet hoeft mee te werken aan zijn eigen veroordeling. Dit nemo tenetur-beginsel kan onder bepaalde voorwaarden worden beperkt. Zo is in de huidige wetgeving de bevoegdheid voor de officier van justitie gecreëerd om in het belang van het onderzoek te bevelen dat een verdachte DNA afstaat (artikel 151b Sv). Deze bevoegdheid is echter wel aan voorwaarden verbonden. Zo dient sprake te zijn van een verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67 lid 1 Sv, moeten ernstige bezwaren bestaan tegen de verdachte, dient de verdachte in de gelegenheid te zijn gesteld om te worden gehoord en is vereist dat de DNA-afname in het belang van het opsporingsonderzoek is. Bij standaard DNA-afname van een inverzekeringgestelde verdachte geldt het merendeel van deze waarborgen niet en wordt een vergaande inbreuk gemaakt op diens recht niet te hoeven meewerken aan de eigen veroordeling.

Naast bovengenoemde kritiekpunten rijst de vraag hoe een eventueel dergelijk wetsvoorstel in de praktijk zal worden ingevuld. Wat wordt met het celmateriaal gedaan in de periode tussen het afnemen en het vonnis van de rechter? Wordt het afgenomen celmateriaal van de verdachte meteen onderzocht op een match met andere onopgeloste opsporingsonderzoeken of wordt hiermee gewacht op het moment dat een verdachte door de rechter is veroordeeld? Welke instantie beheert het DNA in de tussentijd? En welke waarborgen gelden er? Kortom, allerlei praktische vraagstukken die met name in het licht van artikel 6 EVRM van belang zijn.

Wanneer de minister overgaat tot het indienen van een wetsvoorstel waarin de mogelijkheid wordt gegeven standaard DNA af te nemen van een verdachte, wordt ernstig tekortgedaan aan diens recht op privacy en het recht op een eerlijk proces! Wij volgen de ontwikkelingen in de Tweede Kamer op dit punt dan ook kritisch en pleiten er voor dat de minister het wetsvoorstel achterwege laat!

 


[1] https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/moties/detail?id=2018Z13465&did=2018D38277

Deel deze pagina