Omschrijving van verdenking in de oproeping OM-zitting waardeloos?

Omschrijving van verdenking in de oproeping OM-zitting waardeloos?

Geplaatst op

Het Openbaar Ministerie kan bepaalde strafbare feiten afdoen met een strafbeschikking. De procedure die daaraan voorafgaat, laat te wensen over, betoogt advocaat Maartje Schaap in een artikel dat verscheen in de juli-editie van het Advocatenblad:

Sinds 2008 kunnen bepaalde strafbare feiten buitengerechtelijk worden afgedaan door het OM. Een voorbeeld van buitengerechtelijke afdoening betreft de strafbeschikking. Een strafbeschikking is, net zoals een dagvaarding, een daad van vervolging. Alleen anders dan bij een dagvaarding kan de officier van justitie bij een strafbeschikking op eigen houtje en zonder tussenkomst van een onafhankelijke rechter de schuld van een verdachte aan een strafbaar feit vaststellen; met als gevolg een strafblad! Dit laatste is zeker niet bij alle personen die een strafbeschikking accepteren bekend. 

Oproeping OM-zitting

Wanneer de officier van justitie voornemens is een strafbeschikking uit te vaardigen, dient de verdachte in veel gevallen te worden gehoord (art. 257c Sv). Om te worden gehoord, ontvangt de verdachte een schriftelijke oproeping te verschijnen op een zogeheten ‘OM-zitting’. 

In de oproeping voor de OM-zitting staat een beknopte omschrijving van de verdenking. Twee praktijkvoorbeelden: ‘Smaad, gepleegd op 11 november 2017 te Amsterdam, gemeente Amsterdam’ en ‘Handel/vervoer hennep (> 30 gram) gepleegd op 5 oktober 2017 te Groningen, gemeente Groningen’. Een specifiek wetsartikel wordt niet genoemd. Daarnaast staat in de oproeping geen omschrijving van de feitelijkheden die tot smaad zouden hebben geleid. Bij ‘handel/vervoer’ rijst de vraag wat hiermee wordt bedoeld. Hebben we het hier over handel, hebben we het over vervoer of hebben we het misschien over beide? Cryptische omschrijvingen waarbij onduidelijk is waartegen je jezelf moet verdedigen. 

Verhouding tot behandeling door de rechter

Wanneer iemand wordt gedagvaard voor een rechtszitting dient de officier van justitie een tenlastelegging op te stellen. Zo’n tenlastelegging bepaalt dan de omvang van het geding en geeft de verdediging duidelijkheid omtrent hetgeen waarover verweer dient te worden gevoerd. 

In de dagvaarding staat namelijk omschreven waar je van wordt verdacht en eventueel wat voor strafbaar feit dat subsidiair zou opleveren. De wet omschrijft heel strikt waar de inhoud van de dagvaarding en de tenlastelegging formeel aan dienen te voldoen (art. 261 Sv). De regels aangaande de omschrijving van de verdenking zijn strikt en worden streng uitgelegd. De reden hiervoor is dat de verdachte weet waar hij zich tegen kan en moet verdedigen. De tenlastelegging is de grondslag van het verdere strafproces. 

Wanneer een strafzaak door een rechter wordt beoordeeld, bestaat voor de officier van justitie een mogelijkheid tot het wijzigen van een tenlastelegging. Deze wijziging is dan wel aan grenzen gebonden. Zo mag de wijziging niet zodanig zijn dat niet langer gesproken kan worden van hetzelfde feit. De rechter toetst in zo’n geval of de wijziging van de tenlastelegging geoorloofd is. 

De werkwijze bij een OM- zitting verschilt dan ook aanzienlijk met de procedure waarbij een persoon als verdachte wordt gedagvaard om voor de rechter te verschijnen. 

Er is geen dagvaarding en bestaat dus ook geen concreet omschreven verdenking. In de oproep staat vermeld dat je wordt verdacht van een strafbaar feit en dat feit wordt bij naam genoemd. 

Een verdachte gaat dan ook naar zo’n een OM-zitting toe met de gedachte dat de officier van justitie een strafbeschikking wenst uit te vaardigen met betrekking tot datgene wat in de oproeping staat omschreven. Een logische gedachte. Een verdachte moet immers weten waartegen hij zich moet verdedigen. 

Praktijk

Uit de praktijk blijkt dat een dergelijke verdenking op de oproeping voor een OM-zitting in de regel niet veel zegt. De ervaring leert dat tijdens OM-zittingen de officier van justitie de verdenking – naar aanleiding van het gevoerde verweer – gaat toespitsen op een ander strafbaar feit dan op de oproeping in eerste instantie vermeld stond. Denk bijvoorbeeld aan belediging in plaats van smaad of openlijke geweldpleging in plaats van mishandeling. Ook kan tijdens deze zittingen schadevergoeding (gevorderd door de aangever) worden toegewezen. Maar houdt die schade dan verband met het strafbare feit dat in de oproep stond vermeld of het nieuwe strafbare feit? 

Het is mij tijdens een OM -zitting nu al een paar keer overkomen dat na een gevoerd juridisch verweer de officier van justitie de volgende reactie gaf. 

‘Ik ben het met de raadsvrouw eens. Maar op mijn tenlastelegging staat subsidiair ook nog een ander strafbaar feit. En ik acht dat feit wel te bewijzen.’ 

De officier heeft het over een tenlastelegging en een subsidiaire verdenking. Dat is op zijn zachtst gezegd bijzonder. Er is immers geen tenlastelegging, laat staan een vermelde subsidiaire verdenking die bekend is bij degene die voor de OM-zitting is opgeroepen. Wanneer de officier van justitie op de OM-zitting dan met nieuwe verdenkingen op de proppen komt, vind ik gelet op de aard van de OM-zitting, maar ook gelet op het gegeven dat hier veel personen komen die zich niet laten vertegenwoordigen door een raadsman, deze werkwijze niet zorgvuldig en ook in strijd met het vertrouwensbeginsel. 

Voor een verdachte die zich tijdens zo’n OM-zitting niet laat bijstaan door een advocaat is het op dat moment namelijk nauwelijks in te schatten in hoeverre een officier zijn verdenking mag wijzigen en in hoeverre de beginselen van een behoorlijke procesorde nog worden nageleefd. Immers, er is geen onafhankelijk rechter aanwezig die kan toezien op het proces en hierop kan ingrijpen. 

OM-zittingen vinden heel veel plaats. De meeste eenvoudige misdrijven worden op deze zittingen aangebracht. De setting is laagdrempelig. Je hoeft niet naar een rechter, maar je komt bij de officier van justitie op kantoor en die heeft dan een gesprek met je. Dit heeft tot gevolg dat veel genodigden zich dan ook niet laten bijstaan door een raadsman. Zij zijn op dat moment overgeleverd aan de betreffende officier van justitie die daar een bepaald afdoeningsvoorstel aan de verdachte doet. Wat mij betreft, hangt de weegschaal dan scheef en levert deze scheve verhouding een juridisch onwenselijke situatie op. 

Bezwaren

Bij een OM-zitting vindt geen controle plaats door een onafhankelijk orgaan. Het gesprek vindt plaats tussen een officier van justitie en de verdachte, waarbij van belang is op te merken dat een officier van justitie al voornemens is een strafbeschikking uit te vaardigen en zich dus vóór de OM-zitting al een mening heeft gevormd over de strafbaarheid van verdachte. Dus nog voordat ‘de wedstrijd’ begint, is er voor de verdachte in kwestie een achterstand in te halen. Er is geen concreet geformuleerde verdenking waartegen de verdediging ingezet kan worden. De verdachte is zoals gezegd overgeleverd aan de officier van justitie en het afdoeningsvoorstel dat hij doet met alle gevolgen van dien. 

Conclusie

Ik ben van mening dat op dit moment te veel gebreken kleven aan de procedure rondom het uitvaardigen van een strafbeschikking. Juist doordat er geen onafhankelijke rechter betrokken is bij de procedure rondom het uitvaardigen van een strafbeschikking, dient deze procedure met voldoende waarborgen te zijn omkleed en zorgvuldig te worden uitgevoerd. En zeker met betrekking tot dat laatste maak ik mij zorgen. 

 

 

 

 

Reactie Openbaar Ministerie

Door de wetgever is de mogelijkheid gegeven om zaken buitengerechtelijk af te doen. Deze wet is uitgewerkt in een gedegen, met waarborgen omkleed proces binnen het Openbaar Ministerie. Wij zullen puntsgewijs ingaan op de drie voornaamste kritiekpunten van mr. Schaap op de huidige procedure. 

De wetgever heeft geen eisen gesteld aan de oproeping voor een OM-zitting, de OM-zitting zelf is iets wat in de praktijk is vormgegeven. Niettemin zijn wij het met de klacht van Schaap over de omschrijving deels eens. Er is geen reden waarom de kwalificatie van het strafbare feit niet op de oproeping zou kunnen staan. De tekstblokken zijn immers het gevolg van een door de officier gekozen kwalificatie en bij de oproep voor een transactie OM-zitting wordt wél het wetsartikel genoemd. Het argument over een te cryptische omschrijving in de door Schaap aangedragen omschrijving ‘Handel/vervoer hennep (> 30 gram) gepleegd op 5 oktober 2017 te Groningen, gemeente Groningen’ is minder te volgen. Die omschrijving vloeit voort uit de systematiek van de Opiumwet (en andere bijzondere wetten), waarbij één artikel of lid vaak meerdere gedragingen verbiedt. De voorbereiding voor een verdediging tegen de ene gedraging wijkt niet sterk af van die tegen een andere. Ten overvloede merken we op dat in veel tenlasteleggingen ook meerdere door Opiumwet verboden gedragingen genoemd worden. Op de zitting (en dus ook op de OM-zitting) zal dan de verfeitelijking plaatsvinden. Verder is het zo dat ook in bepaalde gevallen in de dagvaarding kan worden volstaan met een korte omschrijving (art. 261, lid 3 Sv). Kortom: de kritiek omtrent de omschrijving mogen we ons aantrekken, maar er is geen reden om van de officier van justitie meer te eisen dan in een reguliere dagvaardingsprocedure.

Wijzigen van de kwalificatie ter zitting 

Voor een OM-zitting bestaat er niet zoiets als de grondslagleer. De ruimte om tijdens de OMzitting van kwalificatie te wijzigen, is groot en ook nog daarna, indien er verzet wordt ingesteld, is dat zo. Die ruimte is wettelijk gegeven. Uit artikel 314a Sv volgt namelijk dat de officier bij verzet in de oproeping voor de rechter kan volstaan met het overnemen van de korte omschrijving van de gedraging uit de strafbeschikking. Wél dient hij die omschrijving ter terechtzitting uit te bouwen tot een volledige tenlastelegging. Daarbij is artikel 68 buiten toepassing verklaard en volgt uit rechtspraak dat (kortgezegd) een wijziging alleen dan niet toelaatbaar is, indien ‘elk verband tussen de feiten die besproken zijn op een OM-zitting en de dagvaarding ontbreekt’.1 Wanneer deze wijzigingen wel toelaatbaar zijn op een gewone zitting na verzet, valt niet in te zien waarom deze niet ook tijdens de OMzitting zelf zijn toegestaan, mits het verband met de oorspronkelijke beschuldiging wel overeind blijft. Ondertussen zal de officier van justitie zo veel mogelijk verrassingen moeten vermijden en oog moeten hebben voor de verdedigingsbelangen.

Gebrek aan controle door een onafhankelijk orgaan 

Dit argument is in het wetgevingsproces ook naar voren gekomen.2 In het kort is de conclusie van de wetgever dat de OMSB een aantal waarborgen (hoorplicht en verplichte rechtsbijstand in sommige gevallen) biedt die de transactie niet had én dat de rechter zich over de gehele zaak mag buigen als er verzet wordt aangetekend. Er zijn dus wel degelijk waarborgen bij oplegging én er is de mogelijkheid tot verzet (en daarmee controle door een onafhankelijk orgaan).

De officier van justitie dient er als magistraat voor te zorgen dat deze waarborgen ook volledig tot hun recht komen. En hoewel de procedure op een enkel punt zou kunnen worden verbeterd, geven ook de laatste bevindingen van de procureur-generaal bij de Hoge Raad geen aanleiding om te veronderstellen dat het met de zorgvuldigheid de verkeerde kant opgaat.

Jeroen Peerboom en Alwin Dam, officieren van justitie, parket Oost-Brabant. 

Deel deze pagina