Is levenslang in strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens?

Is levenslang in strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens?

Geplaatst op

Het zal niemand zijn ontgaan, donderdag 29 juni jl. heeft het Hof Amsterdam uitspraak gedaan in het welbekende ‘Passageproces’. Het is het langstlopende strafproces in Nederland en draait om maar liefst zeven liquidaties in de Amsterdamse onderwereld. Vijf in 1993, één in 2005 en één 2006.  Er zijn forse straffen opgelegd! De vier hoofdverdachten zijn veroordeeld tot levenslange gevangenisstraffen. De twee kroongetuigen zijn veroordeeld voor acht en veertien jaar gevangenisstraf. De andere verdachten zijn veroordeeld tot gevangenisstraffen tussen de 5,5 jaar en 13,5 jaar.

Artikel 3 EVRM

In artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) staat het verbod op onmenselijke behandeling of bestraffing. Het EHRM heeft geoordeeld dat een levenslange gevangenisstraf waarbij de gedetineerde geen enkel reëel uitzicht op vrijheid heeft, in strijd is met artikel 3 EVRM. Er moet al op het moment van oplegging van de levenslange gevangenisstraf sprake zijn van een vooruitzicht op mogelijke vrijlating en van een herzieningsmogelijkheid. Zo’n herzieningsmogelijkheid moet op basis van objectieve en kenbare criteria worden geboden en er moeten procedurele waarborgen bestaan. Hoe ver reikt zo’n reëel uitzicht op vrijlating? De overheid moet actief meehelpen de omstandigheden te creëren waaronder een levenslang gestrafte in de toekomst toch vrij kan komen.

Hoge Raad

In 2016 heeft de Hoge Raad in een arrest overwogen dat de huidige Nederlandse praktijk van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf in strijd is met het EVRM.[1] De Hoge Raad heeft voorwaarden opgesteld waaraan een herbeoordeling van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf moet voldoen.

De eerste voorwaarde heeft betrekking op de vraag of zich aan de zijde van de veroordeelde zodanige veranderingen hebben voltrokken of vooruitgang is geboekt in zijn of haar resocialisatie, dat verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet langer is gerechtvaardigd. Hiervoor is vereist dat het tijdens de oplegging van de straf, voor de veroordeelde voldoende duidelijk is welke criteria zullen worden gebruikt bij de herbeoordeling. De veroordeelde moet weten aan welke vereisten hij moet voldoen.

Als tweede uitgangspunt heeft te gelden dat de herbeoordeling niet langer dan 25 jaar na oplegging van de straf plaatsvindt en dat na die termijn periodiek een herbeoordeling moet plaatsvinden.

De derde voorwaarde is dat de herbeoordeling moet zijn voorzien van voldoende procedurele waarborgen.

De vierde en laatste voorwaarde houdt in dat de veroordeelde zich tijdens de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf – ook voordat de herbeoordeling plaatsvindt – kan voorbereiden op een eventuele terugkeer in de samenleving en dat hem in dat verband mogelijkheden tot resocialisatie worden geboden.

De Hoge Raad heeft in afwachting van de overeenstemming van het Nederlandse recht met de vereisten van het EVRM, de zaak aangehouden tot september 2017.

Besluit Adviescollege Levenslang Gestraften

De verdediging heeft in het ‘Passageproces’ opgeworpen dat geen levenslange gevangenisstraf kan worden opgelegd omdat dit in strijd zou zijn met het verbod op een onmenselijke behandeling en bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM.

Met het oog op het ‘Besluit Adviescollege Levenslang Gestraften’, dat op 1 maart dit jaar in werking is getreden, durfde het hof het toch aan. Het hof acht het besluit dat er nu ligt kennelijk voldoende om de Nederlandse wetgeving omtrent de levenslange gevangenisstraf in overeenstemming te brengen met het EVRM.

In het besluit is een enorme verantwoordelijkheid toegekend aan de minister. De minister benoemt de leden van het Adviescollege en kan deze zelfs ontslaan. Dit komt mij opmerkelijk voor, nu volgens mij een dergelijke herbeoordeling door een rechter moet geschieden. Een rechter kan zich immers ook laten voorlichten door één of meerdere deskundige(n). We kennen daarnaast niet voor niets van oudsher de ‘scheiding der machten’.

De Hoge Raad heeft in het bovengenoemde arrest uit 2016 overwogen dat het opdragen van een herbeoordeling aan de rechter een belangrijke waarborg vormt dat de tenuitvoerlegging in overeenstemming met artikel 3 EVRM plaatsvindt. Ongetwijfeld zullen er enkele veroordeelden in het ‘Passageproces’ in cassatie gaan. Ik ben erg benieuwd naar het arrest van de Hoge Raad.

 


[1] ECLI:NL:HR:2016:1325

Deel deze pagina