Zoek de verschillen

De gemiddelde burger valt het niet op, maar in de strafrechtpraktijk is het helaas maar al te bekend.

Verschillen met grote gevolgen. Iedereen weet waarschijnlijk wel dat er richtlijnen bestaan voor het rijden onder invloed. Een lijst met kort gezegd hoe meer gedronken hoe hoger de straf.

Meestal is die straf een combinatie van een geldboete met een ontzegging van de rijbevoegdheid (OBM). De rijontzegging kan onvoorwaardelijk zijn, dus rijbewijs een tijd kwijt, of voorwaardelijk, een waarschuwing, als het weer gebeurt rijbewijs een tijd kwijt. Het openbaar ministerie kan ook zelfstandig, dus zonder dat er een rechter aan te pas komt, boetes en rijontzeggingen opleggen. Bovendien mag het openbaar ministerie volgens de Wegenverkeerswet bij een ademalcoholgehalte van 570 of hoger (bloedalcoholgehalte 1,30 of hoger) het rijbewijs invorderen en inhouden voor maximaal 6 maanden, afhankelijk van de hoogte van het vastgestelde alcoholgebruik. Het openbaar ministerie kan alleen onvoorwaardelijke straffen opleggen, dus geen voorwaardelijke.

Het probleem is dat de rechtbanken en het openbaar ministerie verschillende richtlijnen hanteren. En dat heeft vervelende consequenties. Voor de uiteindelijke straf, die bij het openbaar ministerie vaak hoger uitvalt, maar ook en vooral voor het invorderen van het rijbewijs door de politie en het inhouden door het openbaar ministerie.

Het rijbewijs mag namelijk niet langer worden ingehouden dan de duur van de uiteindelijke rijontzegging. Als de richtlijn voorschrijft dat geen ontzegging wordt opgelegd mag het rijbewijs helemaal niet worden ingehouden.

En daar gaat het mis. Want bij sommige alcoholgehaltes schrijven de richtlijnen van het openbaar ministerie een (onvoorwaardelijke) rijontzegging voor, en die van de rechtbanken geen rijontzegging, of alleen een voorwaardelijke.
Voor bestuurders van auto’s en motoren met een ademalcoholgehalte van 571 tot 650 (bloedalcoholgehalte 1,31 tot 1,50) geldt bij het openbaar ministerie een onvoorwaardelijke rijontzegging van 4 maanden, en mag het rijbewijs dus voor 4 maanden worden ingehouden volgens de wet. Maar volgens de richtlijnen van de rechtbanken geldt dan een voorwaardelijke ontzegging, en zou het rijbewijs dus eigenlijk niet mogen worden ingehouden. Maar omdat nou eenmaal in de wet staat dat inhouden mag vanaf 571 of 1,31 doet het openbaar ministerie het toch.

Voor bestuurders van bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen geldt dat in nog ergere mate. De rechtbanken leggen pas vanaf 871 of 2.01 een onvoorwaardelijke rijontzegging op. Het openbaar ministerie al vanaf 575 of 1,31.

Het loont dus de moeite om tegen de inhouding van het rijbewijs een klaagschrift in te dienen bij de rechtbank, waar de normen meestal soepeler zijn. Ook als het rijbewijs wel mocht worden ingehouden kan de rechter op grond van persoonlijke belangen die het bezit van het rijbewijs noodzakelijk maken beslissen dat het rijbewijs moet worden teruggegeven.

 
Copyright 2011 - 2018 | dehaanstrafrecht.nl
Contact - Sitemap - Inloggen